Geschiedenis van asbest
Asbest heeft een lange geschiedenis en wordt al ongeveer 5.000 jaar gebruikt. De eerste volkeren die asbest op regelmatige basis toepasten, waren de Scandinaviërs, Egyptenaren en Perzen. Zij gebruikten het mineraal al tussen 2000 en 3000 jaar voor Christus. De oude Scandinaviërs mengden asbest met hun aardewerk en gebruikten dit mengsel om hun hutten te herstellen. De Egyptenaren gebruikten asbest bij het balsemen van farao’s. Tijdens het mummificatieproces werden asbestdoeken gebruikt om de lichamen langer te behouden. Ook de Perzen wikkelden hun doden in asbestdoeken voordat ze werden gecremeerd.
Vlak na de geboorte van Christus liet de Griekse geograaf Strabo de eerste asbestgroeve aanleggen op het eiland Euboea. In deze groeve werd een vezelige “steen-draad” gewonnen waarmee speciaal brandwerend textiel werd vervaardigd. In die tijd ontstond het Griekse woord “Amiantus”, wat “ongevoelig voor vuur” betekent, de term waaruit het hedendaagse woord asbest is afgeleid. Enkele jaren later wees de Romeinse natuurkundige Plinius de Oudere al op de schadelijke effecten van asbest bij de slaven die in de mijnen werkten.
Rond 800 na Christus gebruikte Alexander de Grote asbest om indruk te maken op zijn gasten. Hij bezat een tafelkleed van asbest dat hij na het eten in het vuur wierp, tot grote verbazing van zijn gasten kwam het kleed er ongeschonden weer uit.
Tijdens de industriële revolutie (rond 1870) kwam de productie van asbest op gang.
Men zocht naar een materiaal met zowel isolerende als brandwerende eigenschappen voor gebruik in woningen. Door cement te combineren met asbest ontdekte men een sterke, duurzame en brandveilige verbinding.
In Nederland stond dit product bekend als Eternit, een ontdekking die rond 1900 werd gedaan.
Vanaf 1931 werd asbest in Nederland door de Arbeidsinspectie aangemerkt als een gezondheidsgevaarlijk product. Toen werd duidelijk dat ziekten als asbestose en stoflongziekte direct samenhingen met blootstelling aan asbest. De omvang van de gevolgen was echter nog nauwelijks te overzien, omdat onderzoeksmogelijkheden beperkt waren en men de oorzaak van de klachten vaak niet herkende. Pas in 1949 werd asbestose officieel erkend als beroepsziekte in Nederland. Werknemers die konden aantonen dat ze asbestose hadden opgelopen door hun werk, konden op grond van de Ongevallenwet van 1921 een beroep doen op schadevergoeding. Die vergoeding was echter slechts een pleister op de wonde, genezing is tot op de dag van vandaag niet mogelijk.
In de jaren daarna werd duidelijk dat nog veel meer aandoeningen konden ontstaan door het werken met asbest. Een overzicht van deze aandoeningen vindt u hier.
Vlak na de geboorte van Christus liet de Griekse geograaf Strabo de eerste asbestgroeve aanleggen op het eiland Euboea. In deze groeve werd een vezelige “steen-draad” gewonnen waarmee speciaal brandwerend textiel werd vervaardigd. In die tijd ontstond het Griekse woord “Amiantus”, wat “ongevoelig voor vuur” betekent, de term waaruit het hedendaagse woord asbest is afgeleid. Enkele jaren later wees de Romeinse natuurkundige Plinius de Oudere al op de schadelijke effecten van asbest bij de slaven die in de mijnen werkten.
Rond 800 na Christus gebruikte Alexander de Grote asbest om indruk te maken op zijn gasten. Hij bezat een tafelkleed van asbest dat hij na het eten in het vuur wierp, tot grote verbazing van zijn gasten kwam het kleed er ongeschonden weer uit.
Tijdens de industriële revolutie (rond 1870) kwam de productie van asbest op gang.
Men zocht naar een materiaal met zowel isolerende als brandwerende eigenschappen voor gebruik in woningen. Door cement te combineren met asbest ontdekte men een sterke, duurzame en brandveilige verbinding.
In Nederland stond dit product bekend als Eternit, een ontdekking die rond 1900 werd gedaan.
Vanaf 1931 werd asbest in Nederland door de Arbeidsinspectie aangemerkt als een gezondheidsgevaarlijk product. Toen werd duidelijk dat ziekten als asbestose en stoflongziekte direct samenhingen met blootstelling aan asbest. De omvang van de gevolgen was echter nog nauwelijks te overzien, omdat onderzoeksmogelijkheden beperkt waren en men de oorzaak van de klachten vaak niet herkende. Pas in 1949 werd asbestose officieel erkend als beroepsziekte in Nederland. Werknemers die konden aantonen dat ze asbestose hadden opgelopen door hun werk, konden op grond van de Ongevallenwet van 1921 een beroep doen op schadevergoeding. Die vergoeding was echter slechts een pleister op de wonde, genezing is tot op de dag van vandaag niet mogelijk.
In de jaren daarna werd duidelijk dat nog veel meer aandoeningen konden ontstaan door het werken met asbest. Een overzicht van deze aandoeningen vindt u hier.